Kinderen met een (gedrags)stoornis of(gedrags)belemmering

 

De ontwikkeling van een kind wordt beïnvloed door verschillende factoren.

Sinds het ontstaan van de ontwikkelingspsychologie wordt een indeling gehanteerd in de factoren aanleg en omgeving.
Inmiddels is ontdekt dat beide een rol spelen en dat het door de onderlinge interactie vaak moeilijk is, zicht te krijgen op de werking van elke factor afzonderlijk.
Naast deze twee factoren moet nog een derde factor genoemd worden: de rijping van het centraal zenuwstelsel wordt door beide factoren bepaald.

Deze is deels in aanleg gegeven en wordt deels door de omgeving beïnvloed.
Dat beide factoren een rol spelen, vindt zijn oorzaak in het feit dat de rijping niet alleen in de baarmoeder plaatsvindt, maar ook na de geboorte doorgaat.
Tenslotte blijkt voedsel niet alleen een element te zijn dat het lichaam in stand houdt, maar ook een element dat direct invloed uit kan oefenen op het gedrag van de mens.
Steeds meer onderzoek laat zien dat het nemen van bepaalde stoffen en het niet nemen van andere stoffen ons gedrag in belangrijke mate beïnvloeden.
In geval van een stoornis is de belangrijkste bron voor het gedrag de aanleg of de rijping van het centrale zenuwstelsel.
Bij een belemmering veroorzaakt de omgeving in interactie met het kind voor een vertraagde ontwikkeling.

De problematische gedragingen, die men kan tegenkomen bij een kind met een (gedrags)stoornis, kan men soms ook waarnemen bij een kind met een (gedrags)belemering.

Vier belangrijke bronnen die aanleiding kunnen geven tot gedragsproblemen:

  • De opvoedingssituatie:
    gezinsomstandigheden, schoolsituatie, sociaal -economische situatie en de culturele omstandigheden van het gezin.
  • De puberteit:
    het samenkomen van hormonale toestroom en conflicten als gevolg van het losmakingproces van de ouders. Trauma's: het ondergaan van een traumatische gebeurtenis, zeker wanneer deze niet gedeeld kan worden.
  • Echtscheiding:
    de verandering van de gezinsopbouw met de deelname van nieuwe partners.
  • De aanleiding voor het gedrag ligt buiten het kind.
  • De oorzaak van zijn gedrag heeft te maken met de mate van Ik-sterkte die het kind heeft ontwikkeld, en zijn relatie met zijn gevoel ten aanzien van die externe gebeurtenis.

 

Behandelingsdoel bij een stoornis

De behandeling van een (gedrags)stoornis is erop gericht dat het kind leert om te gaan met zijn stoornis, het probleem.

De begeleiding  richt zich op de 'Ik' van het kind .

De coach/counselor focust zich vooral op het vergroten van de Ik-sterkte bij het kind, waardoor hij/zij zich sterker, beter en rustiger voelt. Daardoor gedraagt het kind zich automatisch beter.
Aangezien de omgeving ook bij de gedragsstoornis een rol speelt, hebben de positieve reacties van de omgeving een gunstige invloed.

 

Behandelingsdoel bij een belemmering

Bij een (gedrags)belemmering kan het kind de oorzaak van zijn klacht, probleem leren oplossen.
De behandeling van het kind met (gedrags)problemen start op dezelfde wijze als bij een gedragsstoornis, maar richt zich na de eerste sessies behalve op de 'ik' en de 'relatie-naar-de-klacht', ook op de klacht zelf.
Door allerlei verschillende interventies toe te passen op deze drie ( ik – relatie - klacht) gebieden, kan het kind zijn probleem intern oplossen.
De externe aanleiding wordt erkend en onveranderd gelaten.
De oplossing van de problematiek ligt in het oplossen van het interne probleem, dat voor gedragsproblemen in de buitenwereld zorgt.